Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Zacharia 4 : 1 - 14

Voor 't laatst gehouden op 20 juli 2008 te Hattem

De kandelaar en de twee olijfbomen

Gemeente des Heren,

Weet u wat ik zo mooi vind in een oude kerk? De goudkleurige kroonluchters. Het zijn prachtige lampen. Een lust om naar te kijken. Helemaal als ze branden. Ze stralen je toe. Ze geven een warm, vrolijk licht.

En zo was het in de tempel van Israël met de gouden kandelaar. Met zijn zes zijarmen, zodat hij zeven lichtpunten had. Met zijn schitterende, ook letterlijk schitterende versieringen. In de vorm van de knoppen en de bloesem van de amandelboom. De boom, die in het voorjaar het eerst bloeit, en dan met zijn roze knoppen en witte bloemetjes haast zelf een soort kandelaar met lichtjes is, een die de komst van het nieuwe seizoen van het licht aankondigt.

Stond er in de tabernakel in de woestijn maar één zo'n kandelaar, in de tempel van Salomo prijkten er wel tien.

En in de tempel na de babylonische ballingschap? Ach, voorlopig kan Zacharia daar alleen nog maar van dromen.

Toch is het geweldig dat hij er al van mág dromen. Want die droom, dat visioen komt van God. Het is een bemoediging en blijde boodschap van God, die Zacharia als Gods profeet aan zijn volk mag doorvertellen.

Hoe werkt dat, als je piekert over tegenslagen en zorgen? Je gaat er ook mee naar bed. Ze blijven 's nachts door je hoofd spoken. En in dat vreemde grensgebied tussen slapen en waken nemen je gedachten daarover de vrije loop. Je hebt een rijke fantasie. En je droomt veel.

Ook Zacharia heeft zo zijn zorgen. Want het gaat niet goed met Israël. Zeker, ze mochten uit de ballingschap van Babel terugkeren. Enthousiast waren ze met de wederopbouw van Jeruzalem en de tempel begonnen. Maar ze kregen allerlei tegenslag. Gebrek aan mankracht en materiaal, tegenwerking van de Samaritanen. En nu zinkt hun de moed in de schoenen.

Ze staan op het punt er het bijltje bij neer te leggen. En Zacharia maakt zich daar zorgen over. Zal de nieuwe tempel ooit klaar komen? Met alle meubilair daarin? Het altaar? De tafel van de toonbroden? En de kandelaar? Want die hoort er natuurlijk ook in.

En zo krijgt hij een wonderlijk visioen te zien. Zijn vijfde. De engel die met mij sprak kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt. Hij zei tot mij: Wat zie je? Daarop antwoordde ik: ik zie een prachtige kandelaar. Helemaal van goud. Met zeven armen, waarop zeven lampen branden en heerlijk licht uitstralen.

Elk van die lampen is door een pijp of buis verbonden met een oliereservoir daarboven. En aan de linker- en rechterkant van de kandelaar en het reservoir staan twee olijfbomen.

We krijgen de indruk, dat de laagste takken over het reservoir hangen. De gele olijfolie druppelt als vloeibaar goud van die takken af, alsof de olijven werden geperst, komt in de oliehouder terecht, gaat door de buizen naar de lampen en zorgt, dat deze altijd door branden.

Vreemd, vind u niet? Echt iets voor een droom. In het echt onmogelijk. Zacharia vindt dat ook en is nieuwsgierig naar wat het zeggen wil. En ik hernam en vroeg de engel, die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer?

Nu is het antwoord van de engel niet helder. Mogelijk is de tekst niet helemaal gaaf overgeleverd, maar laten zich dáár de Bijbelgeleerden het hoofd maar over breken. Waar het in wezen om gaat, is wél duidelijk. Maak je geen zorgen, Zacharia. Maak je geen zorgen, Israël. De stad verrijst opnieuw. En ook de tempel wordt herbouwd. Daar staat de Here zelf garant voor. Het zal onder Zerubbabel, jullie huidige leider, gebeuren.

Zie je die puinhoop, die daar nog ligt? Die ruïnes? Het zal verdwijnen. "Wie ben jij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel word je een vlakte."

Zie je dat kleine beginnetje, die fundamenten, die alleen nog maar gelegd zijn van de nieuwe tempel? Het is toch het begin van de voltooiing. "De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, ze zullen het ook voltooien." Hij zal onder groot gejuich de laatste steen, de sluitsteen, plechtig invoegen. Als symbolisch gebaar, dat het karwei is geklaard. "Hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem!" En men zal net zo blij zijn, als Zerubbabel alles nog eens nameet. De laatste keuring. De oplevering. "Zij zullen zich verblijden als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel."

En in die nieuwe tempel zal ook de kandelaar weer branden. Want die hoort er toch bij? Wat is een huiskamer zonder lamp? Wat is het huis van God zonder zevenarmige kandelaar? Want dan heb je geen licht bij wat er in gedaan wordt.

Maak je geen zorgen, Zacharia. Maak je geen zorgen, Israël. De eredienst zal worden hersteld. De dienst van mensen aan God, in gebeden, dankoffers, lofzangen, maar veel meer nog de reddende en vergevende dienst van God aan de mensen, in de verkondiging, de zoenoffers, de zegen. De Here zal weer midden tussen zijn volk wonen en werken. Want de kandelaar zal er weer staan en zijn licht verspreiden.

En dat licht is niet alleen nuttig. Die aldoor brandende kandelaar in de tempel heeft ook een symbolische betekenis. Daar gaat een boodschap van uit. En wel de boodschap, dat de Here er altijd aanwezig wil zijn. Hij steeds zijn aangezicht over hen wil doen lichten. Zij steeds in het licht van zijn aanschijn mogen wandelen. Maar ook dat zij het licht van God mogen verspreiden in deze donkere wereld. Dat zij als Gods verbondsvolk, levend van Gods liefde en genade, het licht van de volken mogen zijn, opdat Gods heil zal reiken tot aan de einden der aarde.

En nu zie ik achter die constant schijnende kandelaar, teken dat God steeds present is, de figuur van de Here Jezus Christus oplichten. Want Johannes de Doper zei van Hem: Hij is het waarachtige licht, dat in de wereld gekomen is en ieder mens verlicht. En Hij zei van zichzelf: Ik ben het licht der wereld. Wie mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar zal het licht des levens hebben. In Hem stelde God zich helemaal present op deze aarde, deed Hij helemaal zijn aanschijn over ons lichten. Naast de vele andere ceremoniële gebruiken in de tempel van Israël kwam ook het gebruik om de kandelaar constant te laten branden als boodschap van Gods aanwezigheid, bij Jezus tot zijn ware vervulling en voleinding. Ik denk ook aan het laatste bijbelboek. Zacharia droomde dan wel van een herbouwd, nieuw Jeruzalem, maar Johannes zag op Patmos het visioen van het ware nieuwe Jeruzalem, dat nooit meer onder zal gaan en waar geen nieuwer meer achteraan zal komen. En hij zegt van die stad: haar tempel is de Here God en haar lamp is het Lam.

Kortom, we mogen wandelen in het licht van Jezus, dat het licht van God is. En het is heerlijk toeven in dat licht. We mogen ons blij laten maken door dat licht, zoals bij een feest veel licht hoort. We mogen ons de weg laten wijzen door dat licht, zoals we een lamp meenemen om in het donker de weg niet kwijt te raken. We mogen de duistere machten, die ons omringen, laten verjagen door dat licht, zoals de Germanen de kwade machten verjoegen met grote vuren. We mogen ons in onze angsten en zorgen, ons leed en verdriet laten vertroosten door dat licht. Zoals een kind, bang in het donker, getroost is als moeder een lichtje laat branden. Daar is uit 's werelds duistre wolken een licht der lichten opgegaan. De Here Jezus Christus. Licht dat in de duisternis ons van God gezonden is.

Heeft u de duisternis nog steeds liever dan het licht? Of wilt u in dit licht wandelen? Doe het! Het schijnt ook voor u. Alle tijden door. En vooral hier. In zijn huis. Onder de verkondiging van zijn evangelie. Dat is nu vooral de kandelaar. Zalig wie leeft in het licht van het evangelie van de Here Jezus Christus! Hier op zondag, maar ook elke dag van de week. Wij mensen zijn gauw door licht gefascineerd. Daar worden onze ogen naartoe getrokken, vooral in het donker. Ja, daar worden we dan helemáál naar toe getrokken. Worden we zo naar Jezus toegetrokken, door Hem gefascineerd? Volgen we Hem? De ware kandelaar? Heerlijk! O licht der wereld, zie er is voor wie U kent geen duisternis.

En dan gaan we zelf ook Gods licht verspreiden. Dan worden we Gods lichtdragers in deze donkere wereld. Luidt het kinderliedje al niet? Ik zal jou een lichtje doen zijn, als je Mij maar volgt. Jezus zei niet alleen: Ik ben het licht der wereld. Maar ook: Gij zijt het licht der wereld. Een stad op een berg kan vanwege al zijn lichtjes niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan om die onder een korenmaat te zetten, maar op een standaard, opdat die door het hele huis zijn licht verspreidt. Laat zó uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien, en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken.

Johannes ziet op Patmos in een visioen ook zeven kandelaren. En dat zijn de zeven gemeentes. En zeven is het getal van de volheid. Met andere woorden: als hele kerk van Jezus Christus, geënt op Israël, mogen we met Israël Gods licht op deze aarde laten schijnen onder alle volken. Het ontdekkende licht. Het licht dat de zonde aan het licht brengt. Waarbij we de dingen, die niet in de haak zijn, gaan zien en ook aan durven wijzen. Maar ook het licht van Gods liefde en genade voor ieder, die nog in de duisternis zit, de duisternis van zonde of leed. Geven wij licht in onze gezinnen, in onze straat, op ons werk? Het licht van recht en eerlijkheid? Van vrede, liefde, trouw? Van vergevingsgezindheid en hulpvaardigheid? Het licht van ons getuigenis?

Soms lijkt dat licht gedoofd, zoals ook in Israël vlak na de ballingschap. Wat betekent de kerk nog in deze wereld? Wat geven onze lampjes maar weinig licht. Ze lijken niet in staat het duister van deze wereld te verjagen. Maar we mogen in vertrouwen doorgaan. God zelf houdt de kandelaar aan het branden. Het visioen van Zacharia vertelt ons dat.

Elke kandelaar heeft om licht te kunnen geven nu eenmaal olie nodig als brandstof voor de vlammetjes. Welnu, de profeet ziet de olie direct van de olijfbomen afdruppelen. Het gebeurt zonder dat er mensen bij te pas komen. Die vullen het oliereservoir niet. Normaal doen de priesters dat natuurlijk, maar in deze droom is het anders. Het gebeurt om zo te zeggen volautomatisch. Met andere woorden: het is het werk van de Here zelf. En olie is in het Bijbels spraakgebruik symbool van de Heilige Geest. Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest, zegt de Here der heerscharen. We zijn gelukkig niet zonder geestelijke brandstof, gemeente. Onze lampen hoeven niet uit te gaan. De Here zelf geeft ons zijn Geest, inspireert ons door zijn Geest. De Here zelf houdt door zijn Geest het vuurvlammetje van geloof, hoop en liefde aan het branden. Gods olierijke bomen staan over ons heen gebogen. We mogen uit Gods reservoir putten.

Bemerkt u het wel eens, dat u door die Geest gedreven wordt om fijne en goede dingen te doen? Om echt christen te zijn in de praktijk van uw leven, met woorden en daden? Voelt u de olie soms branden in uw hart? O, het is zo'n heerlijk gevoel. Het maakt ons leven zo gelukkig en ook zo nuttig en vruchtbaar.

Een prachtig beeld, gemeente, dit visioen van Zacharia. Het geeft ook zo zuiver de verhouding weer tussen de verticale en horizontale lijn van het christelijk leven, de relatie tot God en die tot de naaste. Bij sommigen dreigt het gevaar, dat ze van God wel alles willen ontvangen, maar het niet willen doorgeven. Ze worstelen om hun persoonlijk zielenheil. Ze willen met God emotioneel geweldige dingen beleven. Maar ze vergeten, dat de Here hun ook een taak in deze donkere wereld geeft. We ontvangen olie om het in licht om te zetten, dat voor de naaste schijnt. Anderen zijn zo druk met de samenleving en haar noden dat ze vergeten om bij te tanken. Dat kan net zo min. We kunnen alleen licht geven als we olie hebben ontvangen. En dat ontvangen we als we ons gelovig openstellen voor Gods werk aan ons, voor het indruppelen van Gods Geest in ons. Laten we dat doen. En laten we er voor zorgen, dat de toevoerbuizen niet verstopt raken. Ach, mag toch alle kerkenwerk, ook in de komende winter, het goede buizenstelsel zijn, waardoor Gods Geest als lichtgevende olie in ons binnendruppelt. Dan zal de Here wonderen doen, aan ons en door middel van ons.

Want de Geest moet het doen, maar kan het ook. Niet door kracht, noch door geweld, maar door mijn Geest. Kracht en geweld is er helemaal niet in dat kleine groepje teruggekeerde ballingen. Ach, verzucht Zerubbabel met zijn volk, waar is de kracht om deze grootse bouwprojecten tot stand te brengen? Waar is het geweld om die vervelende Samaritanen van het lijf te houden? Er komt niets van terecht. Met een handjevol zwakkelingen speel je het nooit klaar. Ze voelen zich moedeloos en machteloos.

En zo voelen wij ons soms ook. Hoe kunnen we echt een goede kerk opbouwen met elkaar? Hoe kunnen we echt gemeente van Christus zijn? Hoe kunnen we iets betekenen voor deze wereld? Werkelijk licht der wereld zijn? Het lijkt een uitzichtloos karwei. Hoe kan Gods heil ooit gerealiseerd worden?

En we worden misschien wel eens jaloers op mensen die wel kracht en geweld gebruiken om hun doelen te bereiken. Dat lijkt toch veel effectiever. De kracht van het kapitaal. China heeft in Afrika sterke invloed. Het geweld van de wapens. President Mugabe van Zimbabwe en president Basjir van Soedan kunnen met geweld aan de macht blijven. Dat lijkt toch allemaal veel doelmatiger? Met harde hand kan je toch meer bereiken dan met zachte? En toch, niet door kracht noch door geweld, maar door mijn Geest. Geen vorst, al gordt hij zich ten strijde, geen legermacht behoudt het veld. God zal de nederlaag bereiden aan hen, die bouwen op geweld. Heil hem, die hoopt in vrees en beven op Gods genadig aangezicht. Wie op zijn gunst vertrouwt zal leven. God houdt het oog op hem gericht.

Gods heil kan maar op één manier tot stand worden gebracht. Door Gods Geest. Van die Geest mogen we het verwachten. En die werkt meestal niet met opzienbarende maar verborgen kracht, niet met brute maar zachte kracht, als zuurdesem in het deeg, als een klein mosterdzaadje dat stil groeit. Hij werkt in en met de kleine dingen. Het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen. De Here zal zijn verlossing tot stand brengen bij en door een arm en ellendig volk. We verwachten die zo vaak van grote dingen en grote mensen, maar Gods Geest doet het juist anders om ons te laten zien dat die verlossing van God komt en niet van ons. Wat voor de wereld onaanzienlijk en veracht en zwak is, dat heeft God uitverkoren om wat sterk is te beschamen. En daarom, Zerubbabel, daarom gemeente, houdt goede moed. En veracht de dag van de kleine dingen niet. Want je zult nog wonderen zien. Wonderen van Gods Geest. Die ons mensen daarbij wel inschakelt. Dat is juist zo typisch voor die Geest. We doen het niet in eigen kracht. We doen het in zijn kracht, door Hem geïnspireerd, door Hem met gaven toegerust. Maar we doen het wel. Het gaat dan ook over de handen van Zerubbabel, over het versjouwen van bergen puin, over het hanteren van het paslood. Nee, er is geen plaats voor schijnvrome lijdelijkheid. Voor een afwachtende houding. Zo van: De Geest moet het doen. Als de Geest het doet, doet Hij het met onze handen. Een paar door de Geest bezielde mensen, die blaken van goede heilige ijver, zijn meer waard dan een half miljoen geesteloze lauwe en lakse mensen.

En zo kan uit een klein beginnetje iets groots ontstaan. Daarom moeten we het kleine niet minachten. Want wie veracht de dag van de kleine dingen? Laat de kerk nu ook weer klein zijn. Laat er van Gods volk niet veel meer overgebleven zijn dan een kleine rest, net als na de ballingschap. Laat er veel afgebroken zijn en nog verschrikkelijk veel op te bouwen zijn. We mogen de dag van de kleine dingen niet verachten. Ook op zo'n dag moeten we werken zolang het dag is. Werken we mee of staan we vol kritiek aan de kant? Draagt uw steentje bij, gemeente. Bouw tekenen van Gods Rijk op in uw eigen omgeving. Zorg, liefde, barmhartigheid, rechtvaardigheid. Zonder klagen. We hebben het er zelf naar gemaakt als het de dag van de kleine dingen is voor de christelijke gemeente, net zoals Israël door eigen schuld in ballingschap werd gevoerd.

Maar wat zijn nu die twee olijfbomen aan weerszijden van de kandelaar en de twee laagste takken, waar vanaf de olie druppelt? Het antwoord luidt: dat zijn de twee gezalfden. De twee die door zalving met olie een bijzondere goddelijke taak hadden gekregen. Die ook in het bijzonder de gaven van Gods Geest gekregen hadden om die taak te vervullen. En die daar vóór de Here der heerscharen bereid staan, bereid om de Hem te dienen, en zó ook hun volk te dienen en uit de impasse te halen. De meest voor de hand liggende uitleg is dat het hier om Jozua gaat, de hogepriester, over wie het vorige visioen ging en Zerubbabel, de afstammeling van David, de nieuwe koning, die in dit visioen centraal staat. De olie van de Heilige Geest was voor de Israëlieten geen regen, die zomaar overal uit de lucht kwam vallen. Die inspirerende, bemoedigende, met gaven toerustende olie, waardoor ze weer echt het licht van de wereld konden wezen, druppelde alleen op ze neer en bij ze binnen, als ze zich stelden onder Gods gezalfden, zoals dat oliereservoir onder de olijfbomen en hun overhangende takken geplaatst was. Het was zaak, dat ze hun door God geschonken politieke en geestelijke leiders volgden. Zich door hen lieten leiden, lieten aanzetten tot het werk, lieten waarschuwen en bemoedigen bij het werk.

En wezen alle gezalfden uit het oude testament met heel hun functioneren niet heen naar die ene ware Gezalfde die komen zou? De Messias? En belijden wij als christelijke gemeente niet, dat die gekomen is in Jezus? De Christus? Messias is immers in het Hebreeuws "gezalfde:" en Christus is dat in het Grieks. Jezus Christus, de ware profeet, priester en koning. Die de Geest niet met mate had, maar er rijk mee was overladen. En die nog steeds bezig is die Geest aan zijn kerk te schenken. Hij laat de olie van zijn Geest neer druppelen op allen, die zich onder Hem willen voegen, in Hem geloven, Hem dienen, hun leven aan Hem wijden. Ach, gemeente, leef maar dicht bij Jezus, stel je voor Hem open, zet je onder zijn overhangende olijftakken. Dat maakt ons rijk en gelukkig, dat maakt ons ook nuttig voor Gods Koninkrijk, dat maakt ons tot lichtgevende kaarsjes, brandend in de nacht van deze wereld.

En ik denk, dat de Here daarbij ook nu weer mensen gebruikt, die in het bijzonder in zijn dienst staan en met hun goddelijke roeping en taak naar Hem terugwijzen. Het zijn in de kerk de ambtsdragers. En in de maatschappij de overheidspersonen, de regeerders. Zij moeten zich van hun enorme roeping en verantwoordelijkheid goed bewust zijn. Het is nogal wat om transporteurs te wezen van Gods vloeibare goud. Ze moeten weten, dat ze werktuigen in Gods hand zijn om aan de mensen Gods zegeningen van heil en gerechtigheid, van vrede en verzoening door te geven en kerk en staat zo op te bouwen in de naam van Christus. En waar ze dat doen, hebben wij ons onder hen te voegen. Want zó komt de neerdruppelende olie van Gods Geest ook bij ons terecht komt. Goed ambtelijke gezag in kerk en wereld is niet een verdachte zaak, is niet iets om lekker tegen aan te schoppen. In de kerk past geen sektarisme en in de maatschappij geen revolutiegeest. Dan lopen we het gevaar ons zelf buiten de neerdruppelende olie te plaatsen. En we willen toch juist zoveel mogelijk van die olie opvangen? We willen toch zoveel mogelijk van de rijkdom van Gods Geest vervuld raken? Om zo des te heerlijker als kandelaar tot Gods eer te branden? Ja toch zeker?

Volk des Heren, in het licht!
Laat de lampen helder schijnen.
Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Leer mij uw wil te volbrengen,
u bent mijn God,
laat uw goede geest mij leiden
over geëffende grond.
Psalm 143 : 10