Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Gebed van Daniël

Gebed van Daniël
Daniël 6 : 10
Nu had hij in zijn bovenvertrek open vensters aan de kant van Jeruzalem;
en driemaal daags boog hij zich neder op zijn knieën en bad en loofde zijn God,
juist zoals hij dat tevoren placht te doen.


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Daniël 9 : 1 - 27

Gebed van Daniël

Gemeente des Heren,

Hoe zit het eigenlijk met uw bidden, jouw bidden? Bid je vaak of zelden? Bid je uit innerlijke behoefte, drang, noodzaak óf uit traditie? Is je bidden een zaak van het hart of van gewoonte?

Iemand zei eens: het gebed is de ademhaling van de ziel. Bídden we niet meer echt, dan léven we geestelijk gesproken niet meer echt. Het gebed is ook de graadmeter van ons geloof. Is het met ons bidden niet zo best, dan is dat voor ons geloof een veeg teken.

En ik ben bang, dat het met het gebed inderdaad niet zo goed gesteld is. Dat veel christenen aan gebedsarmoede lijden. Ze komen daar in een pastoraal gesprek ook eerlijk voor uit, zeggen zich daar schuldig over te voelen, maar het daarmee nog niet beter wordt.

Zo blijkt maar weer hoe weinig er van ons zelf komt als het om het geloof gaat, ja niets. Alles moet door de Here zelf gegeven worden.

Wat kunnen we praten! We praten elkaar de oren van het hoofd. Maar praten met God? Dan blokkeert er iets in ons hart en stokt er iets in onze keel. Dat is al zo bij het stille, persoonlijke gebed. En vaak helemaal bij het hardop bidden met anderen. Ik ouderling worden? Dominee, ik durf niet te bidden.

Velen storten in deze tijd hun hart uit bij psychologen en psychiaters. Die hebben volle praktijken. Maar God, de ware zielekenner en raadgever, heeft maar weinig klanten, die bij Hem te biecht komen.

En toch is bidden zo belangrijk en zegenrijk. Bidden is hoofdzaak en noodzaak. Je mag het al Gods kinderen vragen. Ze zullen er mee instemmen. We lezen het ook van gelovigen uit de bijbel. De voorbede van Abraham voor Sodom. Het gebed van de kinderloze Hanna. Van de zieke Hizkia. De gebeden van David en Salomo, ach teveel om op te noemen.

Vandaag luisteren we naar een gebed van Daniël. Niet het enige van hem dat in de bijbel staat, maar wel het langste. Moge de Heilige Geest, de Geest van het gebed, ons zó leiden, dat deze overdenking een stimulans voor ons eigen gebedsleven is.

Daniël leest in de boekrollen van de profeten en ontdekt zo hoe God door de mond van Jeremia voorspeld had, dat Israëls ballingschap 70 jaar zal duren. Inderdaad vinden we dat twee maal in het boek Jeremia vermeld.

Interessant: de geschriften van de profeten werden al in de tijd van Daniël gebundeld tot een verzameling en hadden toen ook al een zeker goddelijk gezag. Daniël las ze en hechtte er geloof aan.

Wat heeft hij zelf ver en diep in hemelse geheimen mogen inzien. Wat heeft de Here hem geweldige dingen geopenbaard, ja het hele goddelijke plan met deze wereld tot aan het einde der tijden toe, toen God hem de uitleg gaf van de dromen van diverse koningen en hem zelf ook allerlei visioenen te zien gaf. Maar hoewel God hem op zulke geestelijke hoogtes gebracht had, vond hij het niet beneden zijn stand om ook nog van anderen te lezen en te leren en maakte de Here hem via Jeremia op iets opmerkzaam, dat hem niet bekend was.

En als zelfs Daniël in geestelijk opzicht niet self-supporting was, maar andere profeten las, hoezeer hebben wíj de profetische geschriften, ja heel Gods Woord dan nodig. Lezen we dat Woord trouw? Onderzoeken we dat Woord vaak? Zó dat wij er óók nog verrassende zaken in opmerken? Of denken we, dat we het allemaal wel weten?

Een goed gesprek is niet alleen een kwestie van goed spréken tegen elkaar, maar ook van goed luísteren naar elkaar. Bidden is spreken tot God. En ook dàt spreken gaat beter, als we eerst goed naar Hem luisteren, we ons serieus voor zijn boodschap open stellen. Dan komen de onderwerpen voor onze gebeden vanzelf. Dan komen de woorden vanzelf.

Dan zullen we denk ik in het algemeen gesproken ook zuiverder bidden. Zal het ons meer om Gods grote zaak gaan, dan onze eigen kleine zaakjes. Meer om Gods Naam, Gods Koninkrijk, Gods wil dan om onze kleine zorgen en belangen, waar we vaak zo egocentrisch en paniekerig mee bezig zijn. Schriftlezing en gebed verrijken elkaar. Zijn de schering en inslag, waarmee het geloofsleven geweven is.

Als je het moet zeggen: ik heb zo'n armoedig gebedsleven, neem dan eerst meer eens elke dag even de tijd en de rust een stukje uit de bijbel goed in je te laten doordringen. Dan gaat het bidden vanzelf beter.

Want, hoe wonderlijk, juist Gods belóften zijn voor ons dan een prikkel tot het gebed. Zoals ook Daniël ging bidden toen hij las, dat God zelf de straftijd voor Israël op 70 jaar had gesteld. Logisch redenerend zeg je: als Gods Woord waar is en Hij zijn beloften altijd waar maakt, dan hoef je er toch niet meer om te bidden. Maar dát is de logica van het ongeloof. Het geloof heeft zijn eigen logica, daaraan tegengesteld. De gelovige gaat dan juist des te vuriger om de vervulling van Gods beloften bidden. Want die weet, dat God geen automáát is, maar een persóón. Dat God zijn beloofde zegen geeft langs de weg van het gebed. En dat ook de gebeden onmisbare schakels zijn in de keten van Gods raadsbesluiten. De Here schenkt ons heus zijn liefde, zijn trouw, zijn troost en ondersteuning, helemaal als we die nodig hebben. Twijfel daar niet aan in uw zorgen en verdriet. Maar bid er wel om. Pleitend op zijn beloften. Heeft ooit een oprecht christen gezegd: ik ben zó zeker, dat God mij vergeeft en redt. Ik hoef er niet eens meer om te bidden?

En zo zet ook Daniël zich tot het gebed. En ik richtte mijn aangezicht tot de Here God om te bidden en te smeken. Vooral in de oorspronkelijke taal blijkt hoe Daniël er zich helemaal in verdiept, er zich ten volle aan overgeeft, met zijn gezicht naar de hemel.

Soms gaan we helemaal op in wat we doen. We laten ons niet afleiden. We zijn uiterst geconcentreerd bezig. Bijvoorbeeld wanneer we een legpuzzel maken, als modelbouwer iets in elkaar prutsen, een boeiende roman lezen. Kennen we deze volle overgave en concentratie ook bij ons bidden? Misschien wel zó, dat we het ons later zelfs woordelijk herinneren en die woorden op zouden kunnen schrijven, zoals Daniël heeft gedaan? We bidden vaak zo slecht geconcentreerd, met onze gedachten al lang weer ergens anders. Terwijl het zo belangrijk is om het met hart en ziel te doen. Je er echt toe te zetten en je niet te laten afleiden. Ga daar eens in oefenen.

En ter wille van die ínnerlijke gebedshouding is ook de uíterlijke wel van belang. Daniël richt zijn gezicht omhoog. Wij sluiten onze ogen en vouwen onze handen. Dat verschil is niet belangrijk, als onze houding maar spreekt van concentratie en eerbied. Even onderuitgezakt zitten bidden, is niet best. Staande, zittende, geknield, met de handen omhoog zoals vroeger, of met de handen gevouwen, het doet er niet toe, als het maar zichtbaar maakt, dat we niet met de eerste de beste, maar wel met de eerste én de beste spreken, God. Dat kan je alleen maar met heel je mens zijn doen. Dan kan er tussen je innerlijk en uiterlijk geen tegenstelling wezen.

Zo komt het ook dat Daniël vast. Hij draagt verder een ruwe zak om zijn lichaam en bestrooit zich met as. Tekenen van rouw. En berouw. Om de ernst van zijn smeekgebed en schuldbelijdenis te onderstrepen.

Veel uiterlijke tekenen zijn nu bij ons verdwenen. Een rouwband, zwarte kleding, zwarte kousen. Er wordt eerder over gesmaald. Maar om het wat overdreven te zeggen: komen we tegenwoordig soms niet opgetut als mannequins en playboys naar de kerk en met een nog volle maag na een luxueus middagmaal met een aperitiefje en een wijntje om daar te belijden hoe zondig we zijn en is dát geen wonderlijke tegenstelling? Het zit hem niet in de uiterlijke dingen op zích, maar soms kunnen wat hoorbaar èn zichtbaar is zo vloeken met elkaar.

En zo begint Daniël te bidden. En in de aanhef prijst hij God als de God die groot en geducht is, voor wie we dus heilig ontzag moeten hebben en met wie we geen loopje kunnen nemen. Maar ook als de God die vasthoudt aan zijn verbond en zijn goedheid voor allen, die Hem liefhebben en zijn geboden houden.

Dat is het eerste, dat ook in ónze gebeden hoort. Dat we God loven om zijn heerlijke eigenschappen. Zijn grootheid en heiligheid, maar ook zijn trouw en genade. En dan zeggen wíj er natuurlijk bij, dat dit alles heerlijk bekend is geworden door Zijn Zoon, Jezus Christus.

Wie van zichzelf houdt, begint steeds over zichzelf. Wie van een ander houdt, begint over die ander. Zoals ook een verliefde jongen zijn meisje niet vertelt hoe goed en bekwaam híj is, maar hoe lief en mooi zíj is. Zo komen wij als we de Here ècht liefhebben niet allereerst met ons zèlf bij God, maar vertellen we Hem wat voor diepe indruk Hij op ons maakt, met zijn heerlijkheid, macht, liefde en trouw. Welke plaats heeft de lofprijzing in ónze gebeden: de eerste, de laatste, of helemaal geen plaats?

En als Daniël daarna aan mensen denkt, ach, dan kan hij niet anders als een in gruwelijkheid oplopende rij werkwoorden opsommen: wij hebben gezondigd, misdreven, goddeloos gehandeld, gerebelleerd. Het werd van kwaad tot erger. De Here werd steeds pijnlijker op het hart getrapt. En iederéén heeft eraan meegedaan. Daniël somt ook een van hoog tot laag gaande rij mensen op: onze koningen, vorsten (hogere bestuurders), vaderen (dorps- en familiehoofden), ja heel het volk van het land, we hebben niet geluisterd naar uw knechten, de profeten, die in uw Naam spraken.

Kan de situatie in ons eigen land ook niet zo biddend tot God gebracht worden? Moeten dan niet dezelfde complete rijen van zonden en mensen worden opgesomd? Wat zijn we met elkaar godsdienstig en zedelijk diep gezonken. Wat wordt Gods Woord nog weinig gehoord en in de praktijk van het leven weinig gehoor gegeven. Wat doen we ermee? Roepen we ach en wee en gaan we daarna over tot de orde van de dag? Weten we feilloos de mensen aan te wijzen, die aan deze verwording schuldig zijn, terwijl we heimelijk of openlijk ons zèlf rechtvaardigen? Of zijn we solidair met ons volk? Gaan we naast alle zondaren staan in het besef, dat we zèlf óók zondaar zijn? Plaatsen we ons zelf in liefde onder de schuldenlast van ons volk en gaan we daarmee naar de Here toe? Zijn we zo bemiddelend en priesterlijk bezig? Dat lijkt me de taak van de christelijke gemeente.

Dat deed Daniël ook. Hij had zichzelf vrij kunnen pleiten. Ik heb nooit aan die verloedering van vóór de ballingschap meegedaan. Ik was er zelfs te jong voor. Maar hij deed dat niet. Hij zegt: wij hebben gezondigd. Ja telkens weer is het "wij" in zijn gebed. Hoe is hij in deze priesterlijke voorbede zo een voorloper van Jezus, de schuldeloze, die de schuld van heel de wereld op zich nam en zich daarmee voor Gods aangezicht stelde. En wie aan Hem zijn vergeving en verlossing te danken heeft, zal Hem daarin navolgen, zal de collectieve schuld van volk en land niet van zich afschuiven, maar die voor Gods aangezicht in priesterlijke voorbede onder woorden brengen. Doen we dat? Denken we in onze gebeden alleen maar aan ons zèlf, of vergéten we ons zelf en denken we in liefde aan anderen: Ach, Here, onze arme volk, heb er erbarmen mee?

Verder belijdt Daniël: bij u, Here, is de gerechtigheid. We vinden dat ook verder in zijn gebed: want de Here, onze God, is rechtvaardig in al de werken, die Hij doet. Het kan de Here niet verweten worden, dat Israël er zo slecht aan toe is. Het is zelfs een teken van zijn gerechtigheid. Hij heeft via zijn profeten genoeg gewaarschuwd. En die herhaalden alleen maar wat de Here in de wet van Mozes zelfs onder ede had vastgelegd: wie mijn geboden overtreedt, zal een zware vloek treffen. En Israël bleef ongehoorzaam. God heeft dus alleen maar zijn woord gehouden.

Als de slagen ons land treffen? Spanningen en rellen, rampen? Of als we persoonlijk te lijden krijgen aan de misstanden in de samenleving, we slachtoffer worden van diefstal, vandalisme, fraude, bedrijfssluiting, oneerlijke concurrentie? Zoals ook Daniël in het lot van zijn volk moest delen en naar Babel werd gevoerd? Of misschien ook wel als ons ander leed overkomt, dat níet direct met het maatschappelijk bestel te maken heeft?

Wat is dan ónze reactie? Geven wij Gód de schuld, die immers alles bestuurt en dús ons zo iets laat overkomen? Stokt het gebed dan in onze keel omdat we rancune tegenover Hem hebben? Vinden we het eigenlijk niet eerlijk? We zijn immers zo snel verongelijkt!

Of zeggen wij met Daniël: bij u, Here, is de gerechtigheid? Uw doen is rein, uw vonnis gans rechtvaardig? Als we met elkaar de aarde en het leven zo hebben geschonden, uw wetten zo hebben overtreden, dan is het rechtvaardig, dat we er de wonden van voelen steken. Het vergt een diepgaande ontdekking en bekering voor we zo ver zijn. We willen er niet aan. Je mag het zelfs van moderne theologen helemaal niet meer zeggen. Die doen of er in de bijbel alleen maar voorbeelden van onrechtvaardig en raadselachtig lijden staan, zoals van Job, en niet van rechtvaardig lijden als straf op de zonden, terwijl het in Gods Woord juist dààrvan wemelt. Toch is het helemaal niet verkeerd als we net als Daniël bidden, door de aanvechtingen en de strijd heen. We zelfs op de ruïnes van ons leven belijden: bij U, Here, is de gerechtigheid. U bent zuiver en rein. U valt niets te verwijten. Maar bij ons is er een beschaamd gelaat. Ook dat herhaalt Daniël. Kennen wij dit gevoel van schaamte als wij tot God naderen in het gebed? Wie beseft dat de Here hem doorgrondt, gaat toch zelf door de grond? Die weet toch, dat hij met al zijn tekorten voor God niet bestaan kan? Wat geeft het soms een spanning: te moeten bidden en niet te durven bidden. Wat brengt het eerst in de nood, maar wat geeft het daarna een bevrijding: om heel ons zondige leven voor God te brengen. "De schaamte knaagt van binnen. Doe mij uw gunst herwinnen."

Maar daarnaast kent Daniël gelukkig ook het vertrouwen, dat die gunst er is. Want hij zegt ook: bij de Here, onze God, is barmhartigheid en vergeving. Het staat er in het Hebreeuws zelfs in het meervoud: barmhartighedèn, vergevingèn. Daar pleit Daniël op: want niet op grond van onze gerechtigheden storten wij onze smeekbeden voor U uit, maar op grond van uw grote barmhartigheden. Hij herinnert daarbij ook aan Gods grote verlossende daden in het verleden, gelovend, dat de Here die weer kan verrichten. Nu dan, Here, onze God, die uw volk uit het land Egypte hebt geleid met een sterke hand. Hij vermeldt, dat de eer van Gods Naam met de redding van zijn volk gemoeid is. Want om onze zonden en om de ongerechtigheden van onze vaderen zijn Jeruzalem en uw volk tot een smaad geworden voor allen om ons heen. Verlos ons om uws zelfs wil, o God. Want uw naam is uitgeroepen over uw stad en uw volk.

En zo mogen wij ook bidden. Vol vertrouwen. Wetend, dat bij de Here barmhartigheden en vergevingen zijn. Bovenal bij Jezus Christus. Dat de Here zijn naam als Redder eer zal aandoen. Ook bovenal door Jezus Christus.

Maar het moet wel een oprecht gebed zijn, uit de diepten van ons hart. Zoals dat ook bij Daniël was. Dat merken we vooral aan het slot. Dan wordt hij emotioneel, zo zeer, dat het gedaan is met de keurig geformuleerde zinnen. Dan blaast hij als het ware stoom af, uit een hart onder hoge druk en spanning. Dan komt het er met horten en stoten uit. O Here, hoor. O Here, vergeef. O Here, merk op. Doe het. Wacht niet. Bijna zijn het onuitsprekelijke verzuchtingen.

Zit het een en ander u tot hier? Zit er iets opgekropt, onder hoogspanning? Een probleem in uw gezin, in uw werk? Een zorg om uw gezondheid, om een geliefde? Een fout, een blunder, een uitglijder? Spui het maar bij de Here. Al is het met horten en stoten. Heus, de Here hoort, de Here vergeeft, de Here merkt op. Hij treedt handelend op.

Dat is ook Daniëls ervaring. Terwijl hij nog in gebed is, komt Gabriël, de engel en bode van God, die hij al eerder in een visioen zag, pijlsnel aangevlogen. En die weet te vertellen, dat al aan het begin van Daniëls smeken de boodschap van God is uitgegaan. De Here is snèl in het horen en verhoren. Hij zei het al via Jesaja: eer zij roepen, zal Ik antwoorden, terwijl zij nog spreken, zal Ik horen. Wat een troost, ook voor ons.

En zo krijgt Daniël als verhoring van zijn gebed van Gabriël een profetisch vergezicht te zien over alle tijden tot het einde der tijden toe. De openbaring aangaande de zeventig weken. Het is misschien wel het moeilijkste gedeelte van de bijbel, dat de uitleggers nog voor veel raadsels plaatst. Waarop daarom ook de Nederlandse vertalers hun tanden op stuk bijten. En zij, die gaan tijdrekenen lopen er helemáál in vast.

We moeten het spelen met het getal zeven, het getal van de volheid, ook als symbolisch zien. De kern van de zaak is dit, dat, vóór de wereldgeschiedenis tot haar einde zal komen, de tijd nog in drie periodes kan worden ingedeeld en wel van respectievelijk 7 weken, 62 weken en 1 week, waarbij het woord week alleen maar een afgeronde volle episode aanduidt. Er staat in het Hebreeuws ook niet letterlijk "week" maar "zevental".

De eerste periode is die vanaf de aankondiging, dat God Israël zal laten weerkeren en Jeruzalem herbouwd zal worden tot koning Cyrus of Kores, de vorst, die door Jesaja de gezalfde genoemd wordt, Gods werktuig, omdat de Here zijn hart ertoe neigde om Israël verlof tot terugkeer te geven.

De tweede periode is die van Jeruzalems herstel, met straten en zelfs vestinggrachten. Maar het zullen wel benauwde tijden voor Israël zijn. Tijden van tegenwerking door de Samaritanen en van druk en vervolging door vreemde overheersers. Die periode wordt afgesloten als de Messias, de ware Gezalfde, Jezus Christus, uitgeroeid, gekruisigd wordt, terwijl er niets tegen Hem is, heeft de Nieuwe Vertaling, dus onschuldig. Niet voor Hem zelf, heeft de Statenvertaling, dus voor anderen, tot verzoening en redding van zijn kinderen.

Dat zal de derde en laatste periode inluiden, waarin de stad en het heiligdom gruwelijk verwoest worden en de hele offerdienst ophoudt te bestaan. We denken aan de verwoesting van Jeruzalem en de tempel door de Romeinse legers in het jaar 70 na Christus. Het zal in het algemeen een tijd van veel verwoesting zijn.

Maar de Here zal voor velen het verbond zwaar maken, stevig maken, versterken. Immers in die tijd zal God zijn verbond bevestigen door het verlossingswerk van zijn Zoon Jezus Christus en het ook uitbreiden naar de volken toe. En bij dat alles is het de uiteindelijke bedoeling van God om de overtreding te voleindigen, er dus een einde te maken. Om de zonde te verzegelen, af te sluiten, dus de zonde helemaal weg te doen, achter slot en grendel. Om de ongerechtigheid te verzoenen. Om een eeuwige gerechtigheid aan te brengen. Om de profetische openbaringen, in visioenen en woorden gegeven, te verzegelen, dus door de vervulling de waarheid ervan aan te tonen. En om iets allerheiligst te zalven, wat waarschijnlijk wil zeggen: om een heel nieuwe eredienst aan God in te wijden in de plaats van de schaduwachtige eredienst onder Israël.

Het is naar wij als christenen geloven allemaal waar geworden in Jezus Christus, de Messias. De volheid der tijden is met zijn komst op aarde aangebroken. Daar denken we ook aan in deze adventstijd.

En zo leven wij in de laatste week op Gods kalender. Nog even en wat we geloven zullen we aanschouwen. Dan zullen alle gebeden ten volle verhoord worden. In de verdelging van alle zonden en in het ontvangen van een eeuwige gerechtigheid. Tot heil van ons mensen. Maar boven alles tot eer van God. Bid daarom maar vol vertrouwen en hoop het adventsgebed: O Here, hoor. O Here, vergeef. O Here, merk op. Doe het. Wacht niet langer. Om uws zelfs wil, o mijn God! Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

Doorgrond mij, God, en ken mijn hart,
peil mij, weet wat mij kwelt,
zie of ik geen verkeerde weg ga,
en leid mij over de weg die eeuwig is.
Psalm 139 : 23 en 24