Inlogformulier


Zoeken


Website
Internet

De Bijbel

Mijn weg door de kerk Wil je weten over welke gedeeltes uit de Bijbel in deze website informatie staat?

Mijn Facebook

Ga naar: mijn Facebook

Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen? ja

Daniël 2 : 1 - 30

De droom van Nebukadnezar

Gemeente des Heren,

Een mens blijft maar een mens, al ben je Nebukadnezar en de machtigste man van de wereld. Dat blijkt vooral als je in de stilte en eenzaamheid van de donkere nacht op je zelf wordt teruggeworpen. Dan is ook jouw hart niks meer dan dat van een ander en heeft het zo zijn angsten, zorgen, gepieker.

De koning heeft een slechte nacht achter de rug. Hij had gedroomd, was daar onrustig uit wakker geworden en kon daarna de slaap niet meer vatten. We hebben allemaal wel eens zo'n akelige nacht. Het gaat niet altijd op: Ik lag en sliep gerust, van 's Heren trouw bewust. Of: Ik zal zijn lof zelfs in de nacht zingen daar ik Hem verwacht. We liggen wel eens te woelen. We liggen ons wel eens gespannen en bezorgd het hoofd te breken over iets of over veel. Het kan best terecht zijn. Je hebt soms met zoveel tegenslagen en problemen te kampen, dat je er voortdurend over tobt, je er 's nachts niet van kan slapen, en als je het toch even doet, je er onrustig van droomt.

Toch kan je het ook je zelf aandoen. Ik denk, dat dat ook bij Nebukadnezar zo was. Wat had die man nu voor zorgen? Hij was ontzaglijk rijk en machtig. De hele wereld met al zijn schatten lag aan zijn voeten. Ieder boog voor hem als een knipmes. Niemand kon hem ook maar iets in de weg leggen. We horen ook niet van opstanden, het oprukken van vijanden of problemen met zijn gezondheid. Waar zou die man nu nachtmerries over gehad moeten hebben? En daarna een verslagen geest? Een gebroken slaap? Zoals er letterlijk staat. Wel, juist zijn macht over dat geweldige rijk bezorgt hem onrust. Wat een verantwoordelijkheden en zorgen. Hij blijft er over piekeren, ook 's nachts. De koning wordt slaaf van zijn eigen koningschap. Hoe kan ik het allemaal in de hand houden, ook in de toekomst? Wat zal er van mijn rijk worden? Zegt Daniël later niet: Toen u op bed lag, o koning, rezen gedachten op over wat er na dezen geschieden zou. En wijst ook de inhoud van de droom, die we in een volgende dienst hopen te overdenken, niet in die richting: een immens afgodsbeeld, uit verschillend materiaal gebouwd, dat door een rollende steen verpulverd wordt?

En zo gaat het bij ons ook vaak. We hebben het een en ander verworven in ons leven, een positie, een eigen bedrijf, enige welvaart en bezit. Het zou allerlei zorgen van ons af moeten nemen, maar het levert juist zorgen op. Zorgen die we niet van ons af kunnen zetten, maar meenemen naar bed, met als gevolg nogal wat angstig gedroom en slapeloosheid. Want je gaat er onwillekeurig van uit, dat alles van jou afhangt, dat jij voor alles zorgen moet, op alles greep moet houden. We werpen de bekommernissen niet op de Here, maar op ons zelf. We zingen niet: laat Hem besturen, waken, maar we besturen en waken zelf in alle angstvalligheid. We luisteren niet naar Jezus die zei: weest niet bezorgd over uw leven, net zomin als de vogelen des hemels en de lelies op het veld. Maar zoekt eerst Gods Koninkrijk en zijn gerechtigheid en de rest zal u bovendien geschonken worden. We laten God juist geen koning zijn, maar we zitten zelf op onze troontjes, o zo bang er af te storten. Het draait alles niet om de Here en zijn heilzame bedoelingen, maar om ons zelf. En we leggen ook de toekomst niet vol vertrouwen in de genadige en verlossende handen van de Here Jezus Christus. Het is zo dikwijls de onrust en angst van het ongeloof, van overspannen zelfhandhaving, die ons nare dromen en slapeloosheid geeft. En hoe meer macht en bezit we hebben, hoe meer we daarin verstrikt kunnen raken. Hoe meer we beheersen, hoe meer beheerst worden door wat we beheersen en door angst om het beheer te verliezen. En machtig zijn betekent allerminst ook over je eigen geest machtig zijn. Vaak integendeel.

Als we vaak door onrust en slapeloosheid geplaagd worden, is het wel eens goed, ons zelf eerlijk af te vragen hoe dat komt. Doen we het ons zelf aan, als koning Nebukadnezar? Omdat we zonder God leven en ons zelf tot centrum van de wereld hebben gemaakt? Wie sterk en rijk is in zichzelf en niet in God, die zal dat met innerlijke onrust moeten bezuren. En misschien is de Here juist zó al bezig om onze eigen gemaakte troontjes, onze valse zekerheden en vastigheden buiten Hem, onder ons vandaan te schuiven. Is de Hij juist zó bezig om ons op ons zelf terug te werpen, opdat we ontdekken wie en wat we zijn in ons zelf, niets als radeloze, reddeloze, redeloze stakkertjes, badend in het zweet wakker wordend van een boze droom.

Maar willen we dat aannemen? Van de Here aannemen? Of zoekt onze aangeslagen ongeruste geest dan toch weer hulp en heil van mensen?

Dat doet Nebukadnezar wel. Toen gebood de koning, dat men de geleerden, de bezweerders, de tovenaars en de Chaldeeën zou roepen om de koning zijn droom te verklaren. De doctoren en professoren, de naammakers en smaakmakers op elk terrein, alle mensen met buitengewone kennis, kunde, wijsheid en vaardigheden worden opgetrommeld. Als die de koning zijn rust niet kunnen hergeven, wie dan?

Zit de wereld niet nòg zo in elkaar? Moeten menselijke kunsten en wetenschappen niet voor de oplossing van de wereldproblemen zorgen? In plaats van de macht en wijsheid van God? In plaats van Gods verlossing door de Here Jezus Christus? Verwachten we niet van menselijk intellect en vindingrijkheid het ei van Columbus? De menselijke geest heeft al zoveel prestaties geleverd. Die mag ons nu verder niet in de steek laten. Die moet de volken en hun machthebbers met zijn moderne toverkunst maar helpen. Met de nieuwste technische snufjes, zoals de computers. Met de diepste inzichten in de geheime wetten van het leven, zoals het DNA-onderzoek. Met het aanboren van de krachtigste energiebronnen, zoals kernenergie. Alle faculteiten aan alle universiteiten moeten hun steentje bijdragen. Alleen, de theologische faculteit wordt niet geraadpleegd. Want godsdienst, geloof en kerk zijn uit de tijd. Wat hebben die nu nog in te brengen? Zoals ook Daniël en zijn vrienden in eerste instantie noch door de koning zelf noch door de geleerden geraadpleegd worden. Het dwaze van God is wijzer dan de mensen en het zwakke van God is sterker dan de mensen, schreef Paulus, wijzend op Gods verlossing door de Here Jezus Christus, maar we klemmen ons ondanks dat toch maar liever vast aan mensen dan aan God. We hopen toch, dat de mensheid zelf het volmaakte rijk van vrede en geluk op aarde kan stichten, als een evolutie, een geleidelijke voortzetting van de huidige ontwikkelingen.

Terwijl we ook diep in ons hart die mens in zijn kunde en mogelijkheden wantrouwen. Die merkwaardige ambivalentie, die tegenspraak vinden we ook bij Nebukadnezar. Hij roept zijn geleerden te hulp en verwacht ontzettend veel van ze, veel meer dan van mensen verwacht kan worden en tegelijk vertrouwt hij ze voor geen cent. Vertelt hij de droom, dan zullen ze vast wel een mooie, vleiende uitleg verzinnen. Daarom doet hij of hij de droom vergeten is. Weten ze die na te vertellen, dan bewijzen ze hun bijzondere wijsheid en kunde en valt ook hun uitleg serieus te nemen. De geleerden begrijpen best, dat de koning maar doet of hij de droom niet meer weet. Ze vragen hem voor de tweede keer die te vertellen. We voelen hoe de spanning tussen beiden te snijden is. Maar de koning houdt voet bij stuk. Jullie zoeken tijd te winnen, zegt hij, en hebben de plannen al klaar liggen om mij maar wat op de mouw te spelden. Mijn besluit staat vast en het vonnis blijft hetzelfde.

En dan vallen de wijzen door de mand. Ze moeten erkennen dat hun wijsheid de grenzen van de menselijke mogelijkheden niet te buiten gaat. Alleen de goden kunnen het de koning vertellen, maar die wonen nu eenmaal niet bij stervelingen. En al wrijven ze de koning fijntjes onder de neus, dat nooit een machthebber zó het onmogelijke van hen vroeg als hij, daar gaan ze met hun tover- en goochelkunst. Ze blijken ook maar mens te zijn en daar met geen streep boven uit te kunnen komen, al hebben ze het publiek vaak met schone schijn en trucs voorgeschoteld van wel. Ze moeten het nu eerlijk toegeven: er is geen mens op de aardbodem, die het door de koning gevraagde zal kunnen te kennen geven. Waar is de wijze? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? zo schreef ook Paulus. Ze kunnen ons uiteindelijk niet helpen. Zijn ook machteloos. O, ze hebben onze aandacht getrokken en hoge verwachtingen bij ons gewekt door geweldige prestaties en even geweldige pretenties. En ze doen dat nog steeds. Want zonder wetenschap en techniek zou de wereld er heel anders uitzien. We mogen blij zijn met de bescherming, de luxe en het gemak, die ze ons bieden. Stel je voor dat we nog zo primitief leefden als onze voorvaderen in de middeleeuwen? Zou ook Babel ooit zo'n machtig en welvarend rijk geworden zijn zonder zijn geestelijke en intellectuele upper-ten, waar de huidige kenners en onderzoekers van de oudheid nog met groot respect van spreken? Nee. En toch staan al deze oude en moderne wijzen met lege handen als ons hart onrustig is en we bezorgd zijn over onze toekomst en bestemming. Nooit hebben wetenschap en techniek zo'n hoge vlucht genomen als tegenwoordig en we hebben het gevoel, dat ze nog tot ontzettend veel meer in staat zijn. Maar een mens de ware vrede, het ware geluk geven? De mensheid zoveel vertrouwen geven, dat angsten en boze dromen verleden tijd zijn? Nee, dat kan de Here Jezus alleen, in wie al de schatten van wijsheid en kennis verborgen zijn. Is juist ons wantrouwen tegenover wetenschap en techniek niet gegroeid? Want ze hebben inmiddels toch ontzettend veel verwoestingen in Gods goede schepping aangericht, zó dat de toekomst van de hele aarde op het spel staat. We hoeven alleen maar aan de verhoging van de temperatuur op aarde te denken en aan het afbreken van de ozonlaag. En is de moderne mens tussen al zijn apparaten geestelijk niet armer en sociaal niet eenzamer geworden? Inderdaad is er geen mens op de aardbodem, die ons echt kan redden. Die het verlossende inzicht kan geven en het verlossende woord kan spreken.

Maar er is gelukkig ook nog een God in de hemel. Die bouwt op de ruïnes van aardse rijken zijn Koninkrijk van hemelse macht en wijsheid in Jezus Christus. Die laat ten overstaan van onrustige koningen en falende wijzen van zich spreken. Door zijn getuigen, die Hij zelf uitkoos en riep. Profeten, apostelen, wij christenen in deze tijd.

In onze geschiedenis Daniël. De koning is woedend, wanneer de wijzen erkennen, dat ze zijn droom niet kunnen navertellen. En hij beveelt, dat ze allemaal moeten worden omgebracht. Zo zitten de aardse machten nog vaak in elkaar. Ze delen grote geschenken en eerbewijzen uit aan wie haar ten dienste staan en voor uitbreiding van hun invloed en aanzien zorgen. Maar zijn meedogenloos hard voor wie hun zwakheden bloot legt. Dan worden zware politieke vonnissen geveld. Dan komt de geheime staatspolitie in het geweer. Onschuldige mensen worden opgespoord, van het bed gelicht, gemarteld, verdwijnen spoorloos. Dan is het gebeurd met de mensenrechten. In Oost-Timor, in China, dan hier, dan daar. Er wordt in Babel een razzia onder de intellectuelen gehouden en het is niet de laatste keer in de wereldgeschiedenis.

Ook Daniël en zijn vrienden staan op de zwarte lijst. Want de wereld heeft de raad van Gods kinderen niet nodig, maar weet ze wel te vinden als het om verdrukking en vervolging gaat. Ook dat is schering en inslag in de geschiedenis. Zo is het uur voor Daniël gekomen. Nee, niet zijn stervensuur, maar het uur om de naam van de Here uit te dragen, het uur om goddelijke geheimen te openbaren, het uur om temidden van menselijke onrust en verwarring te laten horen wie werkelijk machtig en wijs is, wie werkelijk de wereld en zijn geschiedenis in handen heeft, wie werkelijk koning is over alle tijden en heer ook van de toekomst. Het gaat zo vaak op: waar de kerk niet langer met rust wordt gelaten, maar uit haar tent wordt gelokt door druk en vervolging, daar verricht zij vaak het beste haar getuigende en belijdende taak. Denk maar aan de apostelen voor de joodse raad, aan Luther voor de rijksdag. Gij zult geleid worden voor stadhouders en koningen om Mijnentwil, tot een getuigenis voor hen en de volken. Maakt u dan niet bezorgd, hoe of wat gij spreken zult. Het zal u in die ure gegeven worden wat gij spreken moet. Want gij zijt het niet, die spreekt, doch het is de Geest van uw Vader, die in u spreekt.

Daniël wacht de ontwikkelingen niet af, maar neemt zelf het initiatief. Hij stapt naar Arioch toe, de overste van de koninklijke lijfwacht, wij zouden zeggen, het hoofd van de geheime dienst, die er op uit was getrokken om de wijzen te doden. Hij vraagt heel beleefd, waarom de koning eigenlijk zo'n streng bevel heeft uitgevaardigd. Arioch doet het hem uit de doeken, waarna Daniël bij de koning audientie aanvraagt en hem om een korte tijd uitstel van executie verzoekt.

En hoe gebruikt Daniël die tijd? Gaat hij een conferentie houden met de wijzen van Babel om te overleggen of ze toch niet met een compromisvoorstel naar de koning kunnen gaan? Gaat hij overal druk lobbyen? Beraamt hij een vluchtplan voor zichzelf en zijn vrienden? Probeert hij het leger op zijn hand te krijgen en tot revolutie aan te zetten? Nee, David gaat in gebed. Daarop ging Daniël naar zijn huis en maakte zijn metgezellen Hananja, Misaël en Azarja de zaak bekend, en zei dat zij barmhartigheid moesten afsmeken van de God des hemels betreffende deze verborgenheid. Juist nu ze met de wreedheid van een aardse troon geconfronteerd worden, knielen ze voor een andere troon, de troon van Gods genade en barmhartigheden. Wat een tegenstelling tussen Nebukadnezar en Daniël, tussen de wereld en de kerk. Nebukadnezar gaat in zijn onrust te rade bij de wijsheid van mensen. Daniël doet een beroep op de wijsheid, die van boven is. Nebukadnezar neemt in zijn machteloosheid verbitterd de toevlucht tot geweld. Daniël neemt in zijn machteloosheid vertrouwend de toevlucht tot de kracht van het gebed. Hij bestormt de hemel met heilig geweld. Gods volk lijkt zo machteloos in de strijd tegen aardse machten, maar het heeft een geheim wapen, waarmee het moedig en vol vertrouwen in het veld kan treden: het wapen van het gebed. Kent u dat wapen? Is dat het eerste, waar u naar grijpt, of pas het laatste? Bidt zonder ophouden. Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. Want het gebed van de rechtvaardige vermag veel.

En ook het gebed van de rechtvaardigen met elkaar. Want Daniël haalt zijn vrienden erbij. Gek, we vinden het heel gewoon, om met elkaar over de verwarde toestand in de wereld te praten en alles uitgebreid van commentaar te voorzien, maar er samen over praten met God? Misschien wel hier in de kerk, bij de voorbede, maar thuis met elkaar en in een gebedskring? Toch is het gebed zo'n machtig wapen, gemeente. Wat blijkt dat duidelijk uit onze geschiedenis. Het zwaard van Nebukadnezar is een ontbindende en verwoestende kracht voor land en volk. Het dreigt de room van het volk te doden. Het gebed van Daniël en zijn vrienden is een bewarende kracht. Het leidt ertoe, dat de massale uitmoording van de wijzen niet doorgaat. Hoevelen zijn gered door ons gebed? Doordat we van de God des hemels barmhartigheden hebben afgesmeekt voor deze wereld? Hoevelen zijn omgekomen door onze gebedsnalatigheid?

En op het gebed kan de Here inderdaad wonderen doen. Dat zien we verder in onze geschiedenis. Toen werd de verborgenheid aan Daniël in een nachtgezicht geopenbaard. Het was wel een heel andere droom als die van Nebukadnezar, al werd er hetzelfde in gezien. Geen onrust wekkende, maar inzicht wekkende. Wie van God niet wil weten, heeft zelfs in zijn slaap geen rust. Maar zijn beminden geeft Hij het zelfs als in de slaap. God staan alle wegen en middelen ten dienste. Hij, die zelf nooit sluimert en slaapt, ook niet met zijn Heilige Geest, kan zijn kinderen wonderlijke dingen in het hart geven, bij waken en dromen. Dan wordt hij, die biddend inslaapt, 's morgens wakker met het antwoord van zijn gebed als eerste gedachte in zijn hoofd. Want God is heer en meester over onze geest en weet die dag en nacht voor zijn heerlijke doeleinden in te schakelen.

Het eerste dat Daniël die andere morgen doet, is natuurlijk naar Arioch rennen. Mis. Hij neemt eerst de tijd om de Here uitgebreid te loven en te danken. Daarop loofde Daniël de God des hemels. Geprezen zij de Naam Gods van eeuwigheid tot eeuwigheid, want Hem behoort de wijsheid en de kracht. Hij belijdt, dat de tijden in Gods hand zijn. Dat God koningen aanstelt en afzet. En dat God wijsheid aan de wijzen geeft. Nood leert bidden, maar danken we ook na verhoring en redding uit de nood? Of vergeten we dat? Daniël doet het direct en uitgebreid, terwijl hij die dag toch nog van alles heeft te doen. Dankt God in alles, want dat is de wil van God in Jezus Christus over u. Dankt hem steeds, daarbij zijn macht en wijsheid lovend.

Maar daarna spoedt Daniël zich naar Arioch en verzoekt hij hem de wijzen niet om te brengen. Daniël denkt niet alleen aan zichzelf en zijn vrienden, maar ook aan de andere wijzen, al hebben ze zich in het heidendom verstrikt. Gods kinderen zijn zo voor ieder sparend en bewarend bezig. Dan brengt Arioch Daniël bij de koning en voor hem mag Daniël dan een rijk getuigenis afleggen. Het zijn inderdaad niet de wijzen, bezweerders, geleerden of waarzeggers, die verborgenheden kunnen openbaren. De koning heeft van hen teveel gevraagd. Daniël beweert ook niet zelf een wijsheid te bezitten, die boven alle levenden uitgaat. Nee, er is geen mens op de aardbodem die daartoe in staat is, maar er is een God in de hemel die verborgenheden openbaart en het Daniël bekend wilde maken opdat de koning van zijn droom tekst en uitleg zou krijgen.

En nu geldt het voor ons als christelijke gemeente nog meer dan voor Daniël, dat God ons verborgenheden geopenbaard heeft om die aan anderen bekend te maken. Daar kijkt u misschien van op, maar toch is het zo. Paulus schrijft aan de gemeente te Kolosse over de verborgenheid, die eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans aan Gods heiligen is geopenbaard. Namelijk Christus, de hoop der heerlijkheid. Dat is het heerlijke geheim van God voor de toekomst. Christus naar wie ten diepste ook de droom van Nebukadnezar verwijst. Christus. De redder der wereld. De vergever der zonden. De koning van het hemelrijk. Christus, in wiens hand ook is wat hierna geschieden gaat. En na de apostelen mag de op het fundament van de apostelen gestichte kerk uitdeler van deze verborgenheid zijn. Dus wij. Ja, dat moeten we zelfs zijn. Christus is gekomen. Door het evangelie van Jezus Christus mogen we in het volle licht van Gods openbaring staan. God heeft de verborgenheden van zijn hart, zijn heilsplannen in Christus, ten volle bekend gemaakt. Wat een heerlijk wonder, als door Woord en Geest de luiken en vensters van ons hart geopend zijn en het volle licht van Gods openbaring in Jezus Christus mocht binnenstromen. Maar ook, wat een heerlijke, heilige taak om dat licht niet onder de korenmaat te steken, maar te verbreiden, als het moet voor koningen en groten der aarde. Om het ontvangen inzicht in de geheimen van Gods verlossing aan anderen te vertellen. Er is geen mens op de aardbodem, die ons zalig kan maken, maar er is een God in de hemel, die het wel kan. En die ons de verborgenheid van de godzaligheid die groot is, in Jezus Christus heeft geopenbaard, opdat we er zelf door gered worden en opdat we het anderen doorgeven.

Wat zijn de wijzen van deze wereld arm. Ze moeten het belijden: is geen mens op de aardbodem, die rust kan geven. Alleen goden die niet bij stervelingen wonen. Maar wat zijn de wijzen in God rijk. Zij weten van een God in de hemel, die juist wel bij mensen woont, ja in menselijk vlees is komen wonen en zo zijn heerlijke verborgenheden geopenbaard heeft, het heilgeheim aan zijn vrienden naar zijn vreeverbond getoond heeft. Christus, de zin en het doel der geschiedenis. Christus, in wie God zijn macht en wijsheid heeft geopenbaard. Christus, uiteindelijk de steen in het droombeeld van Nebukadnezar, die tegen het grote afgodsbeeld aanrolt en het verbrijzelt, maar zelf tot een berg wordt die de hele aarde vervult. Christus, voor wie alle rijken van deze wereld zullen vallen en wiens hemelrijk geen einde zal hebben. Christus, in wie de God des hemels al zijn barmhartigheden gegeven heeft. Christus Koning. Is Hij ook al uw Koning? Amen.

Plaats reactie


Beveiligingscode
Vernieuwen

De Heer is genadig en rechtvaardig,
onze God is een God van ontferming,
de Heer beschermt de eenvoudigen,
machteloos was ik en hij heeft mij bevrijd.
Psalm 116 : 5 en 6