Kop

De website van Arie Tromp

Kies uw taal
Pick your language

Mijn gegevens

      Mijn gegevens

  Adres: Populierenlaan 30,
                 2925 CT Krimpen aan den IJssel
  Vaste telefoon: 0180 522828
  Mobiele telefoon: 06 44046099

  Adres in: Google Printview
  Email: info@dsatromp.nl

ATromp
Het laatst gehouden te: Ouderkerk aan den IJssel
op: 25 maart 2018
Johannes 19 : 5 Zie, de mens

Johannes 19 : 1- 6


Wil je eerst het gedeelte uit de bijbel lezen?   

Zie, de mens

Gemeente des Heren, nooit keek de mens zo bewust naar de méns, dus naar zichzélf, als in de vorige en deze eeuw. In de jongste geschiedenis staat de mens in het middelpunt van onze menselijke belangstelling. Wel eens van Sartre gehoord, de franse wijsgeer en schrijver, grondlegger van het existentialisme? Vooral híj heeft diep nagedacht over de vreemde plaats van ons mensen tussen alles wat bestaat. Maar hij is niet de énige. Er is en wordt nog steeds druk gefilosofeerd over het verschijnsel mens.

Zie, de mens. Hij is heel anders dan een dode steen die ergens ligt te liggen. Ook heel anders dan een plant, zelfs anders dan een dier.

Zie, de mens, die zich van álles bewust is, ook van zichzélf. Die kan dénken, ook over zichzélf. Die kan spreken, de taal kent. De mens, die terug kan denken, zich dingen kan herínneren. Die vooruit kan denken, zich dingen van tevoren kan voorstellen. De mens, die kan kiezen, kan willen, en zo voor een deel zijn leven zelf kan bepalen. De mens, die, omdat hij vooruit kan denken, ook weet, dat hij eens sterft, daar al angstig voor kan zijn, en er graag bovenuit wil stijgen. Allerlei menswetenschappen zijn als paddenstoelen uit de grond gerezen. De médische wetenschap nam een hoge vlucht. Zie de mens. In zijn lichamelijkheid. De ziektes, die in zijn lijf kunnen komen en wat daartegen te doen is met de modernste middelen. De psychologíe werd populair. Zie, de mens. Tot in zijn ziel. Zie, hoe hij zich gedraagt, hoe hij problemen verwerkt of juist niet goed verwerkt, wat voor emoties er in zijn hart kunnen zijn. De sóciologie kwam daarbij. Zie, de mens. In zijn contact met zijn medemensen, in de rol, die hij in de samenleving heeft, bijvoorbeeld als arbeidskracht of als lid van een minderheidsgroep.

We hebben door de t.v. ook ontdekt hoe mensen ergens anders leven. In vreemde culturen. De Aboriginals, de Indianen, de Eskimo’s.

Zie, de mens. Een bonte, boeiende, maar soms ook huiveringwekkende wereld. Je kijkt er vol bewondering naar. Hoe prachtig zit de mens in elkaar. Wat voor geweldige gaven kreeg hij. Tot wat voor indrukwekkende prestaties is hij in staat. Je vergaapt je aan zijn nieuwe ontdekkingen. In de natuurkunde. De zwarte gaten. Nieuwe uitvindingen. De computer, de robot. Nieuwe apparaten. De raket en satelliet.

Ja, zie de mens. Maar soms is het ook niet om áán te zien. Zie, de mens. Die de medemens doodt in bruut oorlogsgeweld. In Syrië Zie de mens. Bij een aardbeving bedolven onder zijn eigen huis. Bij een overstroming, een tsunami, door water meegesleurd. Zie, de mens. Nog maar een paar jaar, een paar dagen oud de hongerdood stervend in een arm land. Zie, de mens. Een seksueel verziekte verkrachter. Zie, de mens. Zijn voor het leven beschadigde slachtoffer.

Ecce homo
Domenico Feti (naar) Ecce homo
c. 1700-1800
In het Mauritshuis

Zie, de mens, zwaar geschonden in zijn menselijke waardigheid door rampen, maar ook door haat, oorlog, moordlust, tirannie, door economische, politieke, seksuele uitbuiting. De slachtoffers en de daders, ze zijn allebei onmenselijk geworden.

Zie, de mens, in zijn lijden, angst, pijn, radeloosheid, zijn aftakeling bij dementie of een kankerproces. Zie, de mens. In een paar zuchten is die dood.

Ecce homo. Zie, de mens. Het werden gevleugelde woorden. Voor 't eerst gezegd dóór Pilatus óver Jezus.

Met hoofdstuk 19 van het Johannesevangelie begint ook een nieuw hoofdstuk in de lijdensgeschiedenis van de Here Jezus. Tot nu toe onderging hij bijna alleen maar gééstelijke martelingen. De schande om als misdadiger gevangen genomen te worden. Het vernederende verhoor voor Kajafas en de Hoge Raad. De vlucht van de discipelen en de verloochening van Petrus. Zeker, hij werd in de hof geboeid. En een dienaar, die vindt, dat Hij niet beleefd genoeg is tegen de hogepriester, geeft hem een klap in het gezicht. Maar nu wordt Hij ook echt lichámelijk gemarteld. Wordt het bloedige ernst. Pilatus laat Jezus geselen. En zijn soldaten kennen het klappen van de zweep. Ze ontbloten Jezus' bovenlichaam. Binden hem met ruwe handen aan een zuil vast. En dan komen de slagen, hard en lang. De huid wordt open gereten. Het bloed stroomt er uit. Maar de soldaten vinden het nog niet genoeg. Ze willen er ook plezíer aan beleven. Ze halen takken van de doornstruiken, die in de tuin van het gerechtsgebouw staan en vlechten daar een kroon van. Hij beweert toch, dat Hij de koning van de Joden is? Dan zullen we Hem een waardig hoofddeksel op het hoofd zetten. De stekels priemen zich in de schedel. Verder werpen ze hem een oude, versleten, vaalrode, soldatenmantel om, die als koninklijk gewaad moet fungeren. Wreed drijven ze de spot met Hem: Leve de koning van de Joden. En ze geven Hem de ene kaakslag na de andere.

Als dat allemaal is gebeurd, neemt Pilatus hun rol weer over. Hij laat Jezus naar buiten komen, uit het gerechtsgebouw. Daar staat Hij. De spotkoning. Op een zogenáámd bordes. Voor zijn zogenáámd volk, dat hem niet toejuicht maar uitjouwt. Een geschonden lichaam. Een gekwelde geest. Toonbeeld van ellende.

Pilatus heeft nog één kaart om uit te spelen. Die van medelijden. Als hij nóg eens zegt, dat hij geen schuld in Jezus vindt en ze zien hoe vreselijk hij is toegetakeld, zullen ze dan niet met een schok ontdekken, waar ze eígenlijk mee bezig zijn? En zo komt hij er toe om te zeggen: hier is hij, de mens. Zie, de mens.

Maar het lukt niet. Het antwoord is: kruisig Hem, kruisig Hem.

Zie, de mens! Pilatus zegt hier meer dan hij zelf begrijpt. Hij is profeet tegen wil en dank, spreekt een diepe waarheid uit. De waarheid over ons mensen, èn de waarheid over Jezus de mens.

Hij, die nog kort geleden onverschillig zei: ach, wat ís waarheid, wijst nu Hém aan die de echte waarheid over ons mensen onthult. Wijst het verschijnsel mens aan door alle blikken op die ene mens te laten vestigen. Zie. Zie, die bijzondere en unieke mens. Jezus Christus. De mens, die ons de oude mens laat zien, maar ook de nieuwe.

Kent u die tekening? Je vindt die in bijna alle boekjes over psychologie. De een ziet er direct het gezicht in van een oude, lelijke vrouw zonder tanden, en pas in tweede instantie, als wordt uitgenodigd de tekening vanuit een andere hoek te bekijken, het gezicht van een mooie jonge vrouw. Bij een andere kijker is het net andersom. Die ziet eerst de jonge en pas daarna de oude vouw. Zo portretteren we ook Jezus. Eerst als de oude mens, dan als de nieuwe.

Ten eerste: zie, de oude mens. Zie aan deze ene mens hoe de mensheid bezig is. Want als je met één vinger naar de andere wijst, wijs je met drie naar jezelf. Pilatus wil de blikken wel op de mens Jezus richten, maar in en achter deze gemartelde man ziet onze blik als door een spiegel ook de mensen, die Hem dit aandoen en het op zijn minst toelaten. Homo homini lupus. Is de oude latijnse uitdrukking. De ene mens is voor de andere een wolf.

Zie, de mens, die zoals Pilatus, een draaibord is. Met alle winden meewaait. De weg van de minste weerstand kiest. Geen karakter durft tonen. Bang is voor zijn positie. Die precies weet, wanneer hij beter ergens niet kan zijn en niks gezien kan hebben. Die graag zijn handen in onschuld wast. Die een medemens kan laten vallen als een baksteen, uit angst om zelf één kleerscheurtje op te lopen. Die waar het hem uitkomt alle rechtvaardigheid aan zijn laars lapt. En zo medemensen verdriet doet. Een beetje herkenbaar?

Zie, de mens, die zoals de geestelijke leidslieden, het zo goed met zichzelf heeft getroffen. Alles beter weet en doet dan anderen. Zich graag godsdienstig noemt, vromer dan anderen. Anderen de wet voorschrijft maar denkt er zelf boven te staan. Dus bij anderen over pietluttigheden valt, maar zelf nergens voor terug deinst, als het stiekem kan. Die doodsbenauwd is om zijn macht over anderen te verliezen. Jaloers is als een ander wat populairder is. Graag met geestverwanten zichzelf bevestigt en samenzweert. En zo medemensen verdriet doet. Een beetje herkenbaar?

Zie, de mens, die zoals de menigte, mee schreeuwt met de grootste schreeuwers. Met de massa het ene moment dit beweert en even later het tegengestelde. Een medemens kan verheerlijken, ophemelen, verafgoden om hem even later aan de schandpaal te nagelen. Die, als de massapsychose zich van hem meester maakt, stadions en treinen afbreekt, messen trekt en stenen gooit, poppen, die politici voorstellen, verbrandt. En zo medemensen verdriet doet. Een beetje herkenbaar?

Zie, de mens, die zoals de soldaten, best vuile werkjes op wil knappen. Er niet voor terugdeinst een medemens te martelen in een gevangenis, een kamp. Zelfs denkt daar een goeie zaak mee te dienen. Ja, daar duivels plezier in heeft. En zo de medemens tot een lichamelijk en psychisch wrak maakt.

Zie, de mens, in zijn moreel verval. Verwording. Zondigheid. Zie aan deze bespotte, gemartelde Jezus, waartoe onze oude mens in staat is. In Syrië, de hoorn van Afrika, maar overal, ook hier.

Schrikken we ervan? We zijn aan veel gewend geraakt. Afgrijselijke beelden voor de t.v. doen ons niets meer, maar weten sómmige ons toch te schokken, ons woedend en verontwaardigd te maken?

En als we dit beeld van Jezus voor ons zien, hoe reageren we dan? Ach, het is elk jaar lijdenstijd. Ook daar raken we aan gewend. Het doet ons niet zoveel meer. Of maakt het toch weer indruk op ons? Wekt het bij ons medelijden op en verontwaardiging? Dat is al wát, maar niet voldoende. Tegen de vrouwen, die straks op de kruisweg om Jezus klagen, zegt Hij: dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar over u zelf en uw kinderen. Het gaat dus hier bij wat Jezus overkomt om ons zélf. Het gaat hier niet om één mens, maar dé mens. U en ik als mens. Zie, de mens.

Met andere woorden: Jezus is de spiegel, waarin wij ons zélf moeten leren zien. Jezus staat daar óns uit te beelden. Omdat we aan Hem zo góed kunnen zien welk leed wij mensen elkaar aan kunnen doen. Maar ook zoals Hij daar zélf staat, staat Hij óns hélemaal uit te beelden, is Hij de exponent, de vertegenwoordiger, het gezicht van ons állemaal.

Op een foto willen we er graag goed uitkomen. Op z'n zondags. Maar dit levende portret van u en mij, dat Jezus is, is niet zo fraai. Zie, de mens. De koning van de schepping. Bijna goddelijk gemaakt, zegt psalm 8. Door God met eer en luister gekroond. Maar die van die hoogte diep is gevallen. Zie, de mens, die van zulk door God geschonken leven zó weinig terecht bracht, dat hij de dood verdient.

Zie, de mens, hoe hij daar staat, voor Pilatus, maar bovenal voor Gods aangezicht. Geschonden en mismaakt. In schande en smaad. Niet om áán te zien. Nee, er is uiteindelijk niet zovéél reden om over de menselijke prestaties te roemen. Om van de gaafheid van ons lichaam, de reinheid van onze ziel en de verhevenheid van de menselijke geest hoog op te geven. Zoals we er bij Gód voorstaan, zijn we een zielig verschijning. In alles mislukt. Schuldig. Het is de bedoeling, dat het medelijden met Jezus en de verontwaardiging over wat Hem werd aangedaan, op ons zélf terugslaat. Dat we niet over Hém, maar over ons zélf gaan janken. We er héél klein onder worden. We niet meer hoog van de toren blazen, maar diep in het stof buigen. Erkennend hoe machteloos, eerloos, veracht wij ons zélf gemaakt hebben. Zie, de mens.

Een van de wijsgeren in het oude Griekenland heette Diogenes. Om zich op de hogere dingen te kunnen concentreren zonder dat de dagelijkse zorgen hem afleidden en ook als vorm van maatschappijkritiek, woonde hij in een ton. Eens liep hij op klaarlichte dag met een brandende lantaarn over straat. Dat gaf natuurlijk veel aandacht en hilariteit. Diogenes, wat doe je nu? Ik zoek. Wat zoek je dan? Ik zoek een mens. Het wemelde van mensen in de drukke straat van Athene. Maar hij kon geen mens meer vinden. Geen mens, die een écht mens was, menswaardig, in alle oprechtheid, zuiverheid, liefde, wijsheid, geestelijke verhevenheid. Hij vond alleen maar karikaturen van de mens. Onmensen. En dat zijn we in wezen allemaal. En Jezus beeldt dat uit.

Maar wat is het een wonder van liefde, dat Hij dat dóen wil. Daar in ónze plaats de mislukte mens wil wezen. Zie, de mens. Hij is daar solidair met ons. Hij stelt zich daar met ons op één lijn. Hij is daar vlees geworden, in de volle diepte van menselijke zondigheid, broosheid, ellende en nood, die het woord vlees in de bijbel betekent. Hij deelt daar in onbegrijpelijke liefde onze vernedering en smaad, onze schuld en verlorenheid. Hij draagt dat alles mee aan lichaam en ziel. Dat is pas écht mede-lijden. Letterlijk. Niet goedkoop, maar als een gewéldig offer. Dat is pas écht naaste zijn. Echt borg staan voor een ander. Dat is pas echt menselijkheid, medemenselijkheid.

Zie, de Mens, met een grote M, ja, nú de nieuwe mens, door God gezonden. De mens geworden God zelf. De nieuwe Adam, die zich aan het hoofd van het menselijk geslacht stelt. Die zich daarom mét de verworpenen laat verwérpen. Mét de lijders meelijdt. Zich met de schuldigen op deze aarde schuldig maakt. En zonder dat Hij dat moest en verdiende. Hij was immers wèl altijd mens geweest zoals God het bedoelde. Goed sprekende en goed doende. Genezend en troostend. Liefde gevend, bevrijding schenkend, recht betrachtend. Hij, die nieuwe mens, hóórt helemaal niet bij ons, oude mensen. En tóch wil Hij bij ons zijn. Zie, de mens, zei Pilatus. Hij zei daarvóór: Ik toon hem hier buiten aan u om u duidelijk te maken dat ik geen enkel bewijs van schuld heb gevonden. Hij zei daarná: neem Hem dan maar en kruisig Hem zelf, want ik zie niet waaraan hij schuldig is. En toch staat Hij daar als de schuldige in alle ontering. Eén van ons. Om het voor ons op te nemen. Om de door ons verdiende straf te dragen. Wat een liefde, trouw en barmhartigheid. Opofferingsgezindheid. Reddende volmaaktheid.

Zie, de mens. Jezus. Wie goed kijkt, ziet achter de wangestalte van de oude mens dus ook de heerlijke gedaante van de nieuwe mens. Rein van hart. Met volkomen liefde tot ons. Volkomen gehoorzaamheid aan de Vader. Het nieuwe hoofd van de mensheid. De nieuwe Koning. De nieuwe beelddrager van God. Wat wij aan menselijkheid tekort komen, daar draagt hij de schuld van en dat vult Hij aan. Wat een Zaligmaker! Toch een schone, aanbiddelijke gestalte. Al wat aan Hem is, is heel begeerlijk. Het is toch een vorstelijke verschijning, omdat Hij zich vorstelijk heeft ingezet voor al de zijnen.

Ik zoek een mens, zei Diogenes. Die moet je inderdaad met een lantaarntje zoeken. Die vind je zelfs dán niet. Er was maar één echt mens: Jezus Christus. Zuiver mens met liefde, goedheid, trouw, gehoorzaamheid. En straks, als Hij tot het einde toe heeft liefgehad, straks, als Hij, als een mens, zich vernederd heeft en gehoorzaam is geworden tot de dood, ja de dood aan het kruis, straks als het hélemaal volbracht is, dan zal er van de oude mens, die Hij aannam, die smartelijke gestalte, níets meer over zijn, maar wordt Hij opgewekt in glorie. Dan is Hij voorgoed de nieuwe mens, ver boven het aardse lijden, schuld en smaad, de vergankelijkheid en de dood. Als eerste. Om de weg te banen voor al de zijnen. Zie, Ik ga heen om u plaats te bereiden. In het huis van mijn Vader zijn vele woonvertrekken, anders zou Ik het u gezegd hebben.

Zie, de mens. Pilatus is tegen wil en dank profeet en prediker. Hij wijst ons Jézus aan, de mens geworden Verlosser.

Ik hoop, dat we naar Hem zien. Niet met medelijden alleen, maar met gelóóf. En we met heel ons oude, verloren bestaan naar Hem toegaan. We onze oude mens bij Hem inleveren. Alstublieft, Here. Ik weet er geen raad meer mee. Ik ben er mee vastgelopen. Met zo'n bestaan kan ik niet voor de hemelse Rechter verschijnen. Maar ik mag er toch mee naar ù komen? U weet er toch wèl raad mee? U bent toch om onze overtredingen gewond, om onze ongerechtigheden verbrijzeld? De straf, die ons de vrede aanbrengt, was toch op u en door uw striemen is ons toch genezing geworden? Hier zijn wij, Heer, een afgeweken schare, wij, die zo zorgeloos, zo ontrouw waren. Verander ons en reinig onze harten, o man van smarten. In diep berouw om wat ik heb misdreven, om al wat ik lichtzinnig heb betracht, om al de dagen van dit korte leven, die ik in liefde onnut heb zoekgebracht, kom ik tot u gevlucht, o reik me uw hand. Gij hebt, Heer, voor ons allen willen sterven, u zelf als losprijs voor ons heil verpand. O Goede Herder, laat mij niet verderven.

Zo kunnen we onze oùde mens bij Hem kwijt.

En Hij wil er de níeuwe mens voor in de plaats geven. Wie in Hem gelooft, legt niet alleen de oude mens af, maar doet ook de nieuwe mens aan, geschapen in rechtvaardigheid en heiligheid. Die gaat Hem volgen en dienen. Gaat op Hem lijken, wordt aan zijn beeld gelijk. Gaat meer en meer menselijke trekken vertonen. Met vallen en opstaan. En het wordt op zijn best een kleín beginnetje van de ware gehoorzaamheid. Maar tóch. Er verándert wat in je leven. Je kunt de minste zijn, zoals Hij. Je kunt jezelf verloochenen, zoals Hij. Je kunt geen leed en onrecht zien, zoals Hij niet kon. Je krijgt medelijden met anderen, zoals Hij met ontferming bewogen was over de schare. Je gaat je inzetten voor anderen. Zoals Hij zich inzette, met heel zijn leven. Je kunt liefhebben, trouw blijven, vergeven, helpen, zoals Hij. Je kunt raad geven, troosten, waarschuwen, zoals Hij. Denk niet, dat je daarbij geen kleerscheuren oploopt. De wereld neemt het je niet in dank af, als je zo heel anders bent omdat je Christus leerde kennen. Dat anders zijn is immers ontdekkend en beschamend voor de wereldburger. Het is de tijdbom onder zijn bestaan. Daarom vinden de door God vernieuwde mensen hier verdrukking. Ze komen vaak terecht in de hoek, waar de klappen vallen. Ze worden uitgelachen, bespot. Men laat ze links liggen. Ze dragen met Jezus smaad. Een slaaf is niet meer dan zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen. Zij lijden óók aan het oude, niet verloste bestaan. Maar ook bij hen breekt achter het oude leven het nieuwe door. Ook bij hen rijpt door smart heen de zuiverheid van de nieuwe mens.

Tot de dood aan het oude leven helemáál een einde maakt en de ópstanding hen voorgoed tot nieuwe mensen maakt. Zie, de nieuwe mens, voor eeuwig in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde.

Amen.

1000 Resterende tekens