Kop

De website van Arie Tromp

Kies uw taal
Pick your language

Mijn gegevens

      Mijn gegevens

  Adres: Populierenlaan 30,
                 2925 CT Krimpen aan den IJssel
  Vaste telefoon: 0180 522828
  Mobiele telefoon: 06 44046099

  Adres in: Google Printview
  Email: info@dsatromp.nl

ATromp
Verschenen in: Kerk- en Verenigingsklanken (Herv. Gemeente Krimpen aan de Lek)
op: 1 juni 1983
Genesis 16 : 13 Een God van aanzien
Wilt u eerst het bijbelgedeelte lezen?

Genesis 16 : 7 - 16

  1. En de Engel des HEREN trof haar aan bij een waterbron in de woestijn, bij de bron aan de weg naar Sur.
  2. En Hij zeide: Hagar, slavin van Sarai, vanwaar komt gij en waarheen gaat gij? En zij zeide: Ik ben op de vlucht voor mijn meesteres Sarai.
  3. En de Engel des HEREN zeide tot haar: Keer naar uw meesteres terug en verneder u onder haar hand.
  4. En de Engel des HEREN zeide tot haar: Ik zal uw nageslacht zeer talrijk maken, zodat het vanwege de menigte niet geteld kan worden.
  5. Voorts zeide de Engel des HEREN tot haar: Zie, gij zijt zwanger, en zult een zoon baren, en hem Ismael noemen, want de HERE heeft naar uw ellende gehoord.
  6. Hij zal een wilde ezel van een mens zijn; zijn hand zal tegen allen zijn en de hand van allen tegen hem, en hij zal ten aanschouwen van al zijn broederen wonen.
  7. Toen noemde zij de naam des HEREN, die tot haar gesproken had: Gij zijt een God des aanziens; want, zeide zij, heb ik hier ook omgezien naar Hem, die naar mij ziet?
  8. Daarom noemt men die put: de put Lachai-roi; zie, hij is tussen Kades en Bered.
  9. En Hagar baarde Abram een zoon en Abram noemde de zoon, die Hagar gebaard had, Ismael.
  10. En Abram was zesentachtig jaar oud, toen Hagar Ismael aan Abram baarde.

EEN GOD VAN AANZIEN

En zij noemde de Naam des Heren, die tot haar sprak: Gij, God des aanziens! Want zij zei: Heb ik ook hier gezien naar Hem, die mij aanziet?

Gen. 16 : 13.

Hagar is op de vlucht gegaan voor Sara. Het boterde niet meer tussen de meesteres en de slavin. De rechte verhoudingen waren grondig verstoord. Hagar was in verwachting geraakt, nadat Sara haar aan haar man gegeven had om voor hem voor nageslacht te zorgen. En dit had tot gevolg, dat zij haar meesteres, die onvruchtbaar was, ging verachten. Zij kende haar plaats niet meer. Op haar beurt werd Sara jaloers op haar slavin. Ze stookte Abraham tegen Hagar op. De onderlinge vrede en liefde was ver te zoeken.

En zo gebeurde het, dat Hagar de tenten van de aartsvader ontvluchtte. Daar zit ze nu. Bij een waterbron in de woestijn. Weg van haar vertrouwde omgeving. In de eenzaamheid. Zonder gezelschap en zonder bescherming. Geen rooskleurige toestand. Vooral niet als je een kind in je schoot draagt. Dat geeft je extra bezorgdheid en kwetsbaarheid. En waar moest ze heen? Ze wist het niet.

Zo kan het ook met ons gaan. Je leeft je leven in je eigen vertrouwde omgeving. Vol rust. En ineens kan alles anders zijn. Je krijgt noden en zorgen. Er zijn angsten. Er is pijn. Er is verdriet. Er is eenzaamheid. Ineens kunnen we alle grond onder onze voeten kwijt raken. En wat dan? Goede raad is duur. Vaak denken we in zo'n toestand alleen aan ons zelf. We zijn bekommerd over ons zelf. We denken aan ons eigen hachje. We hebben zelfmedelijden. We zien niets en niemand om ons heen. Soms draaien we ons zelf zo in ons eigen kleine kringetje vast, dat we God helemaal vergeten in onze nood. We zien niet naar Hem op.

Maar Hij ziet ons wel! De engel des Heren vond Hagar bij de waterbron in de woestijn. Hij wees haar de weg, die zij verder moest gaan. Hij gaf haar troostvolle beloften. En daarom noemde zij de Naam des Heren, die tot haar sprak: Gij, God des aanziens!

God van aanzien. Een vreemde naam voor de Here. Een naam, die wij nooit gebruiken. Maar een troostrijke en bemoedigende naam. En een ware naam. Want Hij is een God, die ons weet te vinden, ook in de anonimiteit, in de eenzaamheid, in de duisternis. Hij is niet blind voor ons. Hij ziet ons aan, met ogen van liefde en barmhartigheid. Zijn warme en tedere blik is op ons gericht.

En dan mogen we wel vooral bedenken, dat de ogen van Jezus Christus de ogen van God waren. Zoals Hij naar mensen om zag, zo ziet God naar ons om. En we weten, hoe Hij keek naar een eigenwijze farizeeër, een zich bekerende tollenaar, een overspelende vrouw, een verlamde, door hun moeders tot Hem gebrachte kinderen, enz.

Ja, de Here is een God, die ons aanziet. En als we dat ervaren, dan worden we ontzettend beschaamd, omdat wij Hem in ons verdriet vaak vergeten waren en niet naar Hem hebben gezien. Niet naar Hem hebben opgezien, niet naar Hem hebben uitgezien. Hagar moest dat ook belijden: Heb ik ook hier gezien naar Hem, die mij aanziet?

Ziet deze God des aanziens ons aan, dan wordt alles anders. Niet dat onze levensomstandigheden zich dan altijd direct ten goede keren. Hagar moest van de engel terug en zich opnieuw gehoorzaam onder de macht van Sara stellen. Maar in die omstandigheden is het toch anders geworden. Omdat we weten, dat de Here ons aanziet. Dat geeft ons moed en kracht. Dat geeft ons hoop voor de toekomst. Dat geeft ons troost en vrede.

De Here ziet mij aan.
Daarom zal ik voortaan
mijn weg in vrede gaan.



1000 Resterende tekens